Het lied van de hemel – Johann Maria Lenz
In Het lied van de hemel neemt Lenz de lezer mee op een poëtische en spirituele reis door het universum. Het boek opent met een beschouwing over de sterrenhemel als een goddelijke symfonie — een kosmisch lied dat de mens uitnodigt tot verwondering en bescheidenheid. Lenz haalt Psalm 19 aan en schrijft:
“De hemel verkondigt Gods eer, het uitspansel toont het werk van Zijn handen.”
Vanuit deze Bijbelse inspiratie ontvouwt hij een reeks hoofdstukken waarin hij de planeten, sterren, nevels en melkwegstelsels beschrijft, niet alleen met wetenschappelijke precisie, maar ook met diepe bewondering. Hij verweeft technische uitleg over de bewegingen van hemellichamen met filosofische reflecties over de plaats van de mens in het universum.
Lenz benadrukt hoe klein en kwetsbaar de aarde is in het grote geheel, maar ook hoe bijzonder het menselijk bewustzijn is — in staat om het heelal te doorgronden en te bewonderen. Hij schrijft over de zon als bron van leven, de maan als trouwe metgezel, en de sterren als boodschappers van eeuwigheid.
Het boek eindigt met een oproep tot nederigheid en eerbied voor het mysterie van God en het bestaan:
“Wie het lied van de hemel hoort, leert zwijgen — want in dat zwijgen klinkt het antwoord van de eeuwigheid.”

